Op 1 juli 2026 ging de vrachtwagenheffing officieel van start: sindsdien betaalt het goederenvervoer per gereden kilometer. In de weken die volgden, werd de transportsector geconfronteerd met een harde operationele werkelijkheid: de ene na de andere cruciale verbinding viel (deels) uit. Dat Rijkswaterstaat hierbij acute veiligheidsmaatregelen neemt, staat buiten iedere discussie. Veiligheid duldt geen compromis. Maar de optelsom van stremmingen in zo’n kort tijdsbestek toont onomstotelijk aan dat het fundament onder ons logistieke netwerk kraakt—en dwingt tot een nuchtere blik op de taakverdeling tussen overheid en markt.
Een reeks in een paar maanden
- 18 juli: De Merwedebrug (A27) bij Gorinchem gaat dicht voor vrachtverkeer boven 3,5 ton wegens vermoeidheid in de stalen constructie. Structurele vervanging staat pas rond 2031 gepland.
- Eind augustus: Op de Houtribdijk (N307) tussen Lelystad en Enkhuizen wordt zwaar verkeer geweerd na scheurvorming in de beweegbare brugkelders.
- 7 september: De Hardenbergerbrug (A28) bij Nijkerk moet 48 uur hermetisch op slot door afwijkende zettingsmetingen aan de pijlers.
- 17 september: Op de Suurhoffbrug (A15), dé levensader naar de Maasvlakte, worden rijstroken afgesloten en wordt zwaar verkeer over de vluchtstrook geleid wegens haarscheuren in een stalen dwarsdrager.
Geen incident, maar een aangekondigde inhaalslag
De Algemene Rekenkamer waarschuwde er al herhaaldelijk voor: er zijn tientallen miljarden euro's nodig om de achterstanden in de instandhouding van onze hoofdwegen, sluizen en bruggen in te lopen. Veel van deze kunstwerken stammen uit de jaren zestig en zeventig. Ze zijn berekend op het verkeer van een halve eeuw geleden—toen combinaties van 30 ton de norm waren—niet op het intensieve, moderne goederenvervoer waar 40 tot 50 ton dagelijkse praktijk is.
Het kabinet onderkent deze uitdaging en spreekt terecht van de grootste renovatie-operatie van het Mobiliteitsfonds in decennia. VERN verwelkomt deze erkenning en de inzet van de uitvoerende diensten. Maar terwijl deze grootschalige inhaalslag wordt opgestart, rijdt het draaiend materieel dagelijks over knelpunten die steeds vaker vastlopen.
Oplopende kosten in de hele logistieke keten
Voor de transportondernemer betekent elke omleiding vertraging, extra brandstofverbruik en hogere arbeidskosten. Bovendien ontstaat op verplichte omleidingsroutes een wrange dynamiek: vervoerders moeten noodgedwongen extra kilometers maken om verzwakte bruggen te omzeilen, en betalen over exact die extra kilometers kilometerheffing voor een probleem dat voortkomt uit civiele onderhoudsachterstanden.
In de bredere keten reikt de schade nog verder. Een gemist tijdslot op een maritieme terminal leidt tot uren stilstand of gemiste afvaarten. Alleen al rondom de Maasvlakte loopt de economische schade bij ernstige stremmingen in de honderdduizenden euro's per dag. Met gemiddelde sectorale marges van 2% tot 3% kan het wegvervoer deze extra kosten onmogelijk op eigen kracht absorberen. Die lasten verdwijnen niet; ze bewegen door de keten naar verladers, groothandel en uiteindelijk de consument in de winkel. Een haperende infrastructuur is dan ook geen intern vervoerdersprobleem, maar een breed economisch risico.
Zuiverheid van middelen: algemene taak versus de terugsluis
Juist in deze overgangsfase is het cruciaal om de financiële kaders helder voor ogen te houden. Het beheer, het onderhoud en de tijdige vervanging van de nationale hoofdinfrastructuur is een grondwettelijke kerntaak van de rijksoverheid. Deze taak hoort bekostigd te worden uit de algemene belastingmiddelen en het reguliere Mobiliteitsfonds, waaraan het wegvervoer via brandstofaccijnzen, motorrijtuigenbelasting en vennootschapsbelasting jaarlijks aanzienlijk bijdraagt.
Daar staat een ander financieel instrument tegenover: de vrachtwagenheffing. De opbrengsten hiervan hebben een specifiek, wettelijk vastgelegd doel: de verduurzaming en innovatie van het wegvervoer zelf.
Soms ontstaat in het publieke debat verwarring over de vraag waar deze tolgelden terechtkomen, met name omdat de directe subsidie-uitkeringen in de aanloopjaren niet één-op-één gelijkstaan aan de bruto-inkomsten. Wie het meerjarige financiële kader bekijkt, ziet echter hoe dit mechanisme constructief in elkaar zit:
- Wettelijke oormerking: De wetgever heeft de netto-opbrengsten van de heffing via de 'terugsluis' (begrotingsartikel 15) expliciet gereserveerd voor innovatie, de aanschaf van zero-emissievoertuigen (zoals AanZET) en laadinfrastructuur (zoals SPRILA). Deze middelen kunnen niet worden afgeroomd voor algemene begrotingsposten.
- Afwikkeling van vroege ondersteuning: Om te zorgen dat ondernemers niet pas in 2026 konden beginnen met investeren, heeft het Rijk met het Stimuleringspakket 2024–2025 ruim €177 miljoen aan vroege subsidies vooruitbetaald via het Mobiliteitsfonds. Die vroege investeringen—samen met de IT- en realisatiekosten voor het tolsysteem—worden in de begrotingen van 2026 en 2027 verrekend. Dat is geen verlies van middelen, maar het aflossen van voorschotten die de markt al eerder heeft kunnen inzetten.
- Groei naar een structureel fonds: Zodra deze opstart- en voorfinancieringsposten zijn afgewikkeld, groeit het beschikbare budget binnen het Meerjarenprogramma Terugsluis gestaag door naar meer dan €600 miljoen per jaar richting 2030.
Dit onderscheid moet zuiver blijven. De terugsluis is een investeringsfonds voor wagenparkvernieuwing en mag onder geen enkel beding fungeren als stil noodverband voor achterstallig brugonderhoud. Beide opgaven vragen om hun eigen, strikt gescheiden financieringsdiscipline.
Daar komt nog een pragmatische realiteit bij: ondernemers die willen investeren in schone trucks lopen nu al geregeld aan tegen een overbelast elektriciteitsnet (netcongestie). Als bovenop die netbeperkingen ook nog eens de fysieke toegangswegen bezwijken, raakt de transitie van het goederenvervoer aan twee kanten klem.
Call to Action: CO2 Nú Reduceren aan de Uitlaat via HVO en Biobrandstoffen
Terwijl subsidies voor batterij-elektrische trucks (AanZET) massaal worden aangevraagd, botst de praktijk op een keiharde realiteit: het overbelaste stroomnet (netcongestie). Vervoerders die willen elektrificeren, krijgen van netbeheerders te horen dat een zware netaansluiting voor laadpleinen pas over 3 tot 5 jaar gereed is. We kunnen het ons maatschappelijk niet veroorloven om die jaren simpelweg stil te blijven staan in dieseluitstoot.
Daarom doet VERN een dringende oproep aan het kabinet:
Geef de sector de mogelijkheid om vandaag nog direct CO2 te reduceren aan de uitlaat met het bestaande wagenpark. Door hernieuwbare brandstoffen zoals HVO100 en geavanceerde biobrandstoffen te stimuleren, kan een CO2-reductie tot wel 90% direct per gereden kilometer worden gerealiseerd—zonder wachttijden bij netbeheerders en zonder afhankelijkheid van peperdure nieuwe vrachtauto's.
- De maatregel: Stel vanuit de terugsluisgelden en fiscale instrumenten een directe compensatiekorting in van €0,30 tot €0,50 per liter op HVO en duurzame biobrandstoffen.
- Het effect: Hiermee overbrugt de overheid de onrendabele meerprijs ten opzichte van fossiele diesel. Dit stelt mkb-transporteurs en zelfstandige eigen rijders direct in staat om hun uitstoot per direct drastisch omlaag te brengen.
Verduurzaming mag geen theoretisch papieren model worden dat wacht op laadpalen die het stroomnet niet aankan; het moet praktische werkelijkheid zijn die morgen al effect sorteert aan de uitlaat.
Wat VERN concreet vraagt
Veiligheid duldt geen uitstel, maar pragmatisch klimaatbeleid evenmin:
- Dek civiel onderhoud uit de algemene middelen: Herstel en vervang bruggen vanuit het reguliere Mobiliteitsfonds; zadel de transporteur niet op met de rekening van achterstallig overheidsonderhoud.
- Korting op HVO & biobrandstoffen (€0,30 - €0,50/L): Benut de terugsluis om alternatieve brandstoffen direct concurrerend te maken, zodat het mkb vandaag al tot 90% CO2-winst boekt aan de uitlaat.
- Bewaak de terugsluis voor het hele speelveld: Zorg dat de doorgroei naar €600+ miljoen per jaar laagdrempelig toegankelijk blijft voor de brede sector—inclusief laadinfra, efficiëntie én biobrandstoffen.
Tot slot
VERN kiest voor een constructieve, zakelijke dialoog. De overheid zorgt voor betrouwbare en begaanbare fysieke wegen; de transportsector levert concrete verduurzaming. Door naast elektrificatie nú direct in te zetten op HVO en biobrandstoffen, laten we zien dat klimaatwinst en economische realiteit hand in hand kunnen gaan. Wij blijven aan tafel om te zorgen dat het beleid werkt voor de wielen op de weg.
